Zijn er nog mensen die géén boek van Jan Terlouw hebben gelezen?

Lamyae Aharouay en Petra de Koning presenteerden vorige week hun boek Dick Schoof, over de man die de afgelopen anderhalf jaar onze premier was – voor wie dat niet had had opgemerkt.

Ik mocht bij de presentatie van het boek zijn en daar trof ik Henrieke Herber, een middelbare-schoolvriendin van Petra de Koning. Henrieke is ook schrijfster, vertelde ze me. Ze publiceerde kort geleden een boekje over Jan Terlouw als schrijver. De titel: Jan Terlouw en de kinderen van Katoren. Ik kocht het boekje meteen en liet het door haar signeren, want (bijna) niets is zo fijn als een boek lezen dat is voorzien van een boodschap van de auteur. Het is een mooi boekje. Je zou kunnen zeggen: de moeite waard – maar dat doet geen recht aan het werkje dat zo fijn leest. Het kost geen moeite.

Over dat boekje schreef ik haar het volgende bericht:

Beste Henrieke,

Nadat ik Petra’s en Lamyae’s Dick Schoof had uitgelezen pakte ik jouw boek uit de kast. En nu, een halve middag later, ligt Jan Terlouw en de kinderen van Katoren naast me op de leuning van de bank. UIt. In een ruk.

Jan Terlouw heb ik zelf één keer ‘live’ meegemaakt. Hij sprak op een politieke avond in popcentrum Hedon in Zwolle in aanloop naar de Kamerverkiezingen in 2017.

Op 13 april 2025 zou ik hem een tweede keer in levende lijve aanschouwen, op de dag dat de 80-jarige bevrijding van Zwolle werd herdacht. Toen was hij er niet. Zijn broze gezondheid weerhield hem ervan te spreken in de Grote Kerk in Zwolle. En dus heb ik Jan Terlouw maar één keer ‘in het echt’ gezien.

Van Jan Terlouw heb ik geen enkel boek gelezen. Dus ik ben nooit begeesterd geraakt door  de Koning van Katoren of Oorlogswinter. Jouw boek brengt wel allerlei herinneringen naar boven.  Bij voorbeeld aan mijn moeder, die mij voorlas uit de kinderbijbel. En aan de boeken die ikzelf las tijdens mijn jeugd (Snuf de Hond, Engelandvaarders, Kameleon).

Als ik de scene uit Oorlogswinter voor me zie, van het jongetje dat door een Duitser wordt gered, denk ik aan het – waargebeurde – verhaal dat mijn moeder vertelde: dat zij en haar moeder en broers en zussen werden gewaarschuwd door een Duitse soldaat die zei dat het niet veilig was op de plek waar ze verbleven. De boerderij werd beschoten door Canadese bevrijders; in de schuur naast de boerderij lag Duitse munitie opgeslagen. Het gezin zocht een andere veilig plek. Daar verscheen een andere Duitse soldaat. Hij waarschuwde dat de boerderij waar mijn moeders familie schuilde, in brand stond. Mijn grootmoeder sneuvelde alsnog – heel verdrietig, ze wisten toen nog niet dat mijn grootvader in een concentratiekam was omgekomen. Dat hoorden ze pas maanden later.

Terlouw was een verhalenverteller.  Ik wil me geenszins met hem vergelijken, maar ik doe dat stiekem toch een beetje, als ik lees dat hij hij zijn kinderen na het eten trakteerde op een zelfverzonnen verhaal. Ik deed hetzelfde voor onze dochter Mari. Zij herinnert zich mijn verhalen over Marimella en het vliegende paard Tom Tom beter dan ik.

Zij prikte in mijn buik, en dan verscheen vanzelf het verhaal dat ik ging vertellen. Mijn dochter bedacht er de plaatjes bij – in haar hoofd. Tom Tom, het vliegende paard, vloog voor elk avontuur uit het raam, met op zijn rug de heldin van het verhaal, Marimella.  Onderweg kwamen ze Loesje tegen, de onbetrouwbare mol, zevenhoofdige draken, baardige beren. En altijd liep het verhaal goed af – al moest mijn dochter me onderweg wel eens huilend bijsturen, omdat ze het te eng vond.
Al die verhalen, inclusief de plaatjes, zijn het raam uitgevlogen.

Aan het eind van je boek lees ik dat het eerste Nederlandstalige boek dat Daniel Hugo las Predikant achter Prikkeldraad was. Wat een uitzonderlijk toeval, dat een van de twee auteurs van dat boek (Klaas ter Steege) dominee was in mijn geboortedorp (Laren (Gld). Ter Steege heeft mij gedoopt. Het boek Predikant achter Prikkeldraad ben ik meteen gaan herlezen. 

En dit zijn nog maar de snelle associaties die bij me opkwamen. 

Kortom, ik heb met heel veel plezier je boek gelezen.

Hartelijke groet, 

Jan Braakman

In het boek van Henrieke komt op pagina 69 een rekensom voor over staatssecretaris Ingrid Coenradi, die 617 gevangen moet onderbrengen in 250 twee- en driepersoonscellen. De vraag is hoeveel tweepersoonscellen zij gebruikt. Die rekensom herinnert me aan de gewelde wiskundige probleempjes (twee vergelijkingen met twee onbekenden) die wiskundeleraar Plattel ons opgaf op de middelbare school (toen Rijksscholengemeenschap Lochem, nu Staring College).

X = het aantal tweepersoonscellen
Y = het aantal driepersoonscellen

Er zijn in totaal 250 cellen:
X + Y = 250
Er zijn 617 gevangenen die worden opgesloten in tweepersoonscellen (2X) en driepersoonscellen (3Y):
2X + 3Y = 617
Als je dit had opgeschreven had je de eerste punten al binnen.

X = 250 – Y  
invullen in de tweede vergelijking:
2(250-Y) + 3Y = 617
Daaruit volgt
500 – 2Y + 3Y = 617
Y = 617 – 500 = 117
Daaruit volgt: het aantal tweepersoonscellen X = 250-117 = 133.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties zijn gesloten.