Het graf

zaterdag 9 juni 1945

 

“Daar”, wees arrestant Anton Wiebe. “Daar moet hij ongeveer begraven liggen.”

Wachtmeester Anne de Vries had aangenamer klussen gehad als politieman. Op deze zaterdag, 9 juni 1945, moest hij assisteren bij een weinig alledaagse en zeer onaangename klus: het opgraven van een lijk in de bossen bij Lochem.

De Vries was politieman in Barchem, een lommerrijk dorpje verscholen in de Achterhoekse bossen. De 55-jarige De Vries gebruikte normaal de fiets, maar deze dag kon hij meerijden met een paar collega’s. Rechercheur Gert Groenhuis van de politie in Nijmegen was erbij, en Abel Beun, De Vries’ collega uit Lochem.

Ze hadden een arrestant bij zich met de naam Anton Wiebe. De 47-jarige arrestant zou helpen bij het vinden van het lijk van een man die tijdens de Duitse bezetting was begraven, ergens tussen Barchem en Lochem, aan de voet van de Lochemse berg.

Ze reden door het licht glooiende landschap van Barchem naar Lochem. Overal stond het graan al op het land. Korenbloemen vormden blauwe stippen in het gewas. Hier en daar stak een klaproos fel op uit het veld. De loofbomen links en rechts boden schaduw tegen de zon. Het was zonnig weer en de temperatuur was prettig.

Nederland begon zich te herstellen van vijf jaar bezetting. Duizenden collaborateurs waren opgepakt, onder wie Wiebe. Hij had zich in de oorlog als politierechercheur wel heel erg dienstbaar gemaakt aan de Duitse bezetter.


De papierschaarste was merkbaar in de omvang van de kranten. Meer dan twee pagina's hadden de nieuwsbladen amper. In Den Haag werd gewerkt aan de vorming van een ordentelijke burgerlijke regering. Koningin Wilhelmina had enkele dagen voor deze zaterdag juist twee prominenten de opdracht gegeven een kabinet te formeren: de voormalige Delftse professor Wim Schermerhorn en de sociaaldemocraat Willem Drees. Er heerste optimisme over een nieuwe tijd, met “een politiek van grote stijl”, zoals het verzetsdagblad Trouw het in een commentaar verwoordde op vrijdag 8 juni.

Er waren tal van problemen waar de nieuwe regering voor stond. Wat moest er gebeuren met al die tienduizenden of misschien wel honderdduizenden mannen en vrouwen die met de bezetter hadden gecollaboreerd? Was het rechtssysteem wel toegerust voor de berechting van al deze mensen? En hoe ging het verder met de Overzeese gebiedsdelen ? De Duitsers waren verslagen, maar in Azië ging de strijd nog door. Nederlandse jongens werden opgeroepen om zich als vrijwilliger te melden voor de strijd in Indië. “De oorlog tegen Japan moet gewonnen worden”, meldde dezelfde commentaarschrijver in Trouw. Dat moest het hoofddoel zijn van de regering. Het was onze taak, zo vervolgde de commentator, “te streven naar een grote Nederlandse samenleving een schone een rechtvaardige, een welvarende maatschappij te maken. Beter dan voorheen.”

Elders in de krant stonden de oproepen om inlichtingen over verdwenen personen. Over mannen en vrouwen die gearresteerd waren, afgevoerd naar Duitsland en van wie nooit meer iets was vernomen. Het aantal vermisten was zo talrijk, dat de kranten er speciale rubrieken voor inruimden.

Het landschap had nog de sporen van de voorbije oorlog. Tanks en ander zwaar legermateriaal had de straatweg zwaar geteisterd. Dit was de weg waarlangs de Britse troepen waren opgerukt die begin april als eerste Lochem waren binnengetrokken. Het stadje was tot kort daarvoor nog een centrum geweest van de tanende Duitse macht. De Reichskommissar voor de provincie Gelderland had er zijn intrek genomen, toen Arnhem onveilig werd. Begin april was de Reichskommissar met zijn gevolg ijlings noordwaarts getrokken.


Links van de weg doemde restaurant De Dolle Hoed op, dat korte tijd dienst gedaan had als tactisch hoofdkwartier van de Britse troepen. Iets verder stond het P.W. Janssenhuis, dat tijdens de bezetting door de Duitsers was geconfisqueerd geweest. En nog honderd meter verder was een oprijlaan, geflankeerd door beuken. Daar sloeg de auto linksaf. Het grint knarste onder de banden bij het verlaten van de steenweg. Ze hielden even stil bij de twee woningen die aan de oprit stonden. Een van de mannen in uniform stapte uit en gaf de bewoners de opdracht binnen te blijven. Chiel de Wit, bewoner van een van de twee woningen, wilde weten waarom. “Er ligt hier iemand begraven", was het antwoord. “Blijft u binnen tot we klaar zijn.”

De Wit vertelde zijn vrouw en kinderen wat er gaande was. Ze waren onthutst. Op hun grond, iemand begraven? Kon het nog erger? Het gezin De Wit had de villa bewoond, waar de mannen naar zochten.

Een paar honderd meter verder stopten de mannen met hun auto, bij de resten van wat ooit een moderne villa moest zijn geweest: Huize ’t Onland.

De Vries kon zich nog herinneren dat het huis rond Kerst 1944 in vlammen was opgegaan. Hij had er nog proces-verbaal van opgemaakt. Oorzaak van de brand: kortsluiting. Maar volgens sommigen was de vernietigende brand een daad van verzet geweest. De illegaliteit zou de villa in brand gestoken hebben, omdat het huis door de bezetter in gebruik was genomen voor het gehate politiewerk.

Hier was de Dienststelle van de Sicherheitsdienst onder aanvoering van Artur Thomsen, Ludwig Heinemann en August Ahlbrecht gevestigd geweest. Niet zo heel lang trouwens. De Sicherheitsdienst had er in november zijn intrek genomen en eind december had de brand de Duitsers genoodzaakt weer een andere plek te zoeken.

Arrestant Wiebe herkende de plek. Ook al was de Dienststelle afgebrand, hij kon nog heel goed de contouren zien van de ruimtes in het huis. Hier had hij een paar maanden gewerkt als politieman in Duitse dienst. Hij keek rond en liep met zijn begeleiders terug naar de rand van de parkeerplaats, vlakbij de twee woningen die ze net hebben  gepasseerd. Hij wees een plek aan in het bos. Daar, zei hij, was de man begraven.

Zwijgend pakten twee arbeiders van de gemeente hun meegenomen gereedschap. Ze schepten de bovenste laag humus weg. In de blootgelegde grondlaag was herkenbaar dat er eerder gegraven was, Een langwerpige rechthoekige vorm. De gemeentearbeiders begonnen het zand weg te scheppen tot een forse kuil ontstond. Af en toe stopten ze, als er iets in het zand leek te liggen dat de moeite van het onderzoeken waard was. Ze groeven door tot een forse kuil ontstond: Ongeveer een meter diep. Toen merkten ze dat ze op iets stuitten. Een schoen? Een lap stof? De geur van de dood kwam hen tegemoet.

Ze wachtten even met hun werk om de politiemensen de gelegenheid te geven te inspecteren wat ze hadden aangetroffen. Met één hand hielden ze een zakdoek voor neus en mond, met de andere probeerden ze de spullen die aan de oppervlakte kwamen op te pakken. Het was soms lastig te herkennen wat ze in hun handen hadden.

Stilzwijgend kregen de arbeiders opdracht verder te graven. Voorzichtig, laagje voor laagje, verwijderden ze het zand en langzaam maar zeker kwamen de contouren van een lijk in zicht. Daar lag een man, op zijn buik. Hij droeg nog onderkleren: een onderbroek, een overhemd.

Aan zijn linkervoet zat nog een lage schoen. Zijn rechtervoet was ongeschoeid. Welke kleur de schoen had gehad konden ze moeilijk zeggen. Bruin misschien, of zwart. Het lijk werd voorzichtig omgedraaid. Bij de voeten lag een boordje en een groene stropdas, alsof ze achteloos in het graf gegooid waren. Het blauwe boordje leek te horen bij het overhemd, dat de man nog droeg - dezelfde kleur blauw.

Op de boord was een naam geborduurd: J.H. Kessler.

Wachtmeester De Vries bekeek de blauwe boord en de groene stropdas en deed ze in een meegebrachte envelop.


Meer lezen?  Laat het weten. Klik hier.


 
 
 

volgende >

< vorige